Blog
Hoeveel kan je veilig uit je beleggingsvermogen opnemen?
Aan de hand van de Trinity Study kijken we waar de 4%-regel vandaan komt, wat het onderzoek historisch liet zien en waarom 4% vooral een richtpunt blijft.
De vraag achter de 4%-regel
Een liquide beleggingsportefeuille kan je op termijn de vrijheid geven om vermogen op te nemen wanneer je het nodig hebt. Dat vermogen kan dan mee helpen om je leven te financieren.
Maar zodra je begint op te nemen, ontstaat een moeilijke balans.
Neem je te veel op, dan kan de portefeuille te snel uitgeput raken. Neem je uit pure voorzichtigheid veel minder op dan nodig, dan geef je misschien onnodig een deel op van de levensstandaard waarvoor je het vermogen net hebt opgebouwd.
Hoeveel kunnen we uit een beleggingsportefeuille opnemen, terwijl ze nog een redelijke kans heeft om zo lang mee te gaan als we ze nodig hebben?
De 4%-regel is één historische poging om van die moeilijke vraag een bruikbaar planningskader te maken. Ze is dus niet zomaar ‘het antwoord’.
Wat betekent de 4%-regel precies?
De 4%-regel betekent niet dat je elk jaar 4% van de actuele waarde van je portefeuille opneemt.
Je vertrekt van de waarde van de portefeuille bij de start. In het eerste jaar neem je 4% van die beginwaarde op. Daarna pas je het bedrag in euro jaarlijks aan de inflatie aan, zodat de koopkracht ongeveer gelijk blijft.
Startportefeuille: €500.000
Opname in jaar 1: 4% × €500.000 = €20.000
Bij 2% inflatie: opname in jaar 2 ≈ €20.400
Het verhaal begint vóór de Trinity Study
In 1994 publiceerde financieel planner William P. Bengen het artikel Determining Withdrawal Rates Using Historical Data in het Journal of Financial Planning.
Zijn belangrijke bijdrage was dat hij niet alleen naar een gemiddeld langetermijnrendement keek. Hij onderzocht wat er werkelijk gebeurde wanneer historische rendementen jaar na jaar in hun oorspronkelijke volgorde werden doorlopen.
Dat brengt ons bij het volgorderisico, vaak ook sequence-of-returns risk genoemd. Twee beleggers kunnen over een lange periode een vergelijkbaar gemiddeld rendement meemaken en toch heel anders eindigen. Wie vroeg in de opnameperiode zware beursdalingen beleeft en tegelijk geld uit de portefeuille haalt, houdt minder vermogen over om van een later herstel te profiteren.
Een gemiddelde alleen vertelt dus niet of een opnameplan standhoudt. De volgorde waarin goede en slechte jaren komen, is minstens zo belangrijk.
In de historische scenario’s die Bengen onderzocht, hield een initiële opname van ongeveer 4%, gevolgd door inflatiecorrecties, minstens ongeveer dertig jaar stand. Dat was een resultaat binnen zijn historische dataset en aannames, geen garantie voor iedere toekomstige periode.
Waarom heet het de Trinity Study?
Vier jaar later publiceerden Philip L. Cooley, Carl M. Hubbard en Daniel T. Walz het artikel Retirement Savings: Choosing a Withdrawal Rate That Is Sustainable.
De drie auteurs waren professoren financiën aan Trinity University in San Antonio, Texas. ‘Trinity Study’ is dus een informele naam die verwijst naar hun universiteit, niet de officiële titel van het artikel.
Hoe werkte de Trinity Study?
De onderzoekers gebruikten Amerikaanse marktdata van 1926 tot en met 1995. Ze testten opnamepercentages van 3% tot en met 12% over periodes van 15, 20, 25 en 30 jaar.
Daarbij vergeleken ze vijf portefeuilleverdelingen:
- 100% aandelen;
- 75% aandelen en 25% obligaties;
- 50% aandelen en 50% obligaties;
- 25% aandelen en 75% obligaties;
- 100% obligaties.
De S&P 500 vertegenwoordigde de aandelen. Voor obligaties gebruikten de onderzoekers langlopende Amerikaanse bedrijfsobligaties van hoge kwaliteit.
Ze rekenden niet met één gemiddeld jaarlijks rendement. Ze speelden de historische rendementen jaar per jaar opnieuw af in overlappende periodes. Een test van dertig jaar begon bijvoorbeeld in 1926, de volgende in 1927, daarna 1928, enzovoort. Binnen de dataset van 1926 tot en met 1995 leverde dat 41 overlappende periodes van dertig jaar op.
Zo bleef de echte volgorde van rendementen bewaard. Een sterke beursdaling aan het begin van een opnameperiode kreeg daardoor een ander effect dan dezelfde daling vlak voor het einde.
Wat telt als ‘geslaagd’?
Een historische periode telde als geslaagd wanneer de portefeuille aan het einde van de gekozen uitkeringsperiode nog een waarde groter dan nul had.
Het slaagpercentage is dus het percentage van de onderzochte historische periodes waarin de portefeuille niet volledig was uitgeput.
De resultaten met inflatiecorrectie
De werkelijke tabel uit de Trinity Study bevat opnamepercentages van 3% tot en met 12%. Voor de visualisatie hieronder beperken we ons tot 3%, 4%, 5% en 6%. Zo blijft het belangrijkste patroon leesbaar: lagere opnames bleken historisch robuuster, een langere periode maakte hogere opnames moeilijker, en ook de portefeuilleverdeling beïnvloedde de uitkomst.
Historische slaagpercentages met inflatiecorrectie
Kies een portefeuilleverdeling. De percentages tonen hoeveel van de historische periodes eindigden met nog vermogen in de portefeuille.
100% aandelen
| Periode | 3% | 4% | 5% | 6% |
|---|---|---|---|---|
| 15 jaar | 100% | 100% | 100% | 91% |
| 20 jaar | 100% | 100% | 88% | 75% |
| 25 jaar | 100% | 100% | 87% | 70% |
| 30 jaar | 100% | 95% | 85% | 68% |
Een concreet voorbeeld
Kijk in de eerste portefeuilleverdeling naar de combinatie van 4% en dertig jaar. Van de onderzochte overlappende periodes van dertig jaar eindigde 95% met nog vermogen in de portefeuille wanneer iemand startte met een volledig uit S&P 500-aandelen bestaande portefeuille, in het eerste jaar 4% van het oorspronkelijke vermogen opnam en het opnamebedrag daarna jaarlijks aan de inflatie aanpaste.
Bij 75% aandelen en 25% obligaties bedroeg dat historische slaagpercentage 98%. Bij een 50/50-verdeling was het 95%.
Dat bewijst niet dat een 75/25-portefeuille vandaag ‘beter’ is. Het toont vooral dat de gekozen aannames en portefeuilleverdeling de historische uitkomst beïnvloeden.
Geslaagd betekent niet dat elk traject hetzelfde eindigt
Een portefeuille met nauwelijks iets over en een portefeuille met een groot resterend vermogen telden allebei als geslaagd. Het slaagpercentage vertelt dus niet hoe comfortabel de weg was, hoe diep de portefeuille tussentijds daalde of hoeveel er uiteindelijk overbleef.
Een plan kan in een rekentabel slagen en onderweg toch erg moeilijk aanvoelen. Ook de vraag of iemand tijdens zware beursdalingen belegd zou blijven, verdwijnt wanneer we alleen naar één eindpercentage kijken.
Hoeveel vermogen bleef er uiteindelijk over?
De tabel met slaagpercentages beantwoordt alleen of een portefeuille de gekozen periode overleefde. De Trinity Study keek ook naar de eindwaarde na alle jaarlijkse opnames. Afhankelijk van de startperiode bleken die uitkomsten enorm te verschillen.
Eindwaarde van een portefeuille met $1.000 startvermogen
Kies een portefeuilleverdeling en periode. De tabel toont hoeveel dollar er na alle jaarlijkse opnames overbleef.
Portefeuilleverdeling
Periode
75% aandelen / 25% obligaties · 20 jaar
| Eindwaarde ($) | 4% | 5% | 6% | 7% |
|---|---|---|---|---|
| Gemiddeld | 4.239 | 3.628 | 3.026 | 2.435 |
| Minimum | 536 | 108 | 0 | 0 |
| Mediaan | 4.481 | 3.752 | 2.914 | 2.076 |
| Maximum | 9.484 | 8.672 | 7.859 | 7.047 |
Een concreet voorbeeld
Bij de standaardselectie — 75% aandelen, 25% obligaties, twintig jaar en een vaste jaarlijkse opname van 7% — bedroeg de gemiddelde eindwaarde historisch $2.435 en de mediaan $2.076. Belangrijker is de spreiding: hetzelfde startvermogen van $1.000 en hetzelfde opnameplan eindigden, afhankelijk van de startperiode, met niets tot meer dan $7.000 over.
Dat verschil toont opnieuw het volgorderisico. De maximale eindwaarde van $7.047 is een historische uitkomst binnen deze studie, geen voorspelling voor een moderne portefeuille.
Aannames en beperkingen
1. Het onderzoek gebruikt Amerikaanse marktdata
De aandelen in de studie worden vertegenwoordigd door de S&P 500. Dat is niet hetzelfde als een moderne, wereldwijd gespreide ETF die bijvoorbeeld de MSCI World, FTSE All-World of MSCI ACWI volgt. Je kunt de Amerikaanse historische uitkomsten dus niet rechtstreeks vertalen naar een wereldwijde ETF.
2. De historische data stoppen in 1995
De oorspronkelijke Trinity Study verscheen in 1998 en gebruikte rendementen van 1926 tot en met 1995. Sindsdien hebben economie en financiële markten nog veel andere omstandigheden meegemaakt. Het onderzoek blijft waardevolle historische context, maar is geen voorspelling voor de markt van vandaag.
3. De langste geteste periode was dertig jaar
Dat is belangrijk wanneer je nadenkt over financiële onafhankelijkheid in plaats van alleen over een klassiek pensioen. Wie op veertigjarige leeftijd financieel onafhankelijk wordt, heeft misschien een horizon van veertig, vijftig jaar of langer. De oorspronkelijke Trinity Study testte zulke periodes niet.
Bij een zeer lange horizon is 4% daarom nog duidelijker een planningsaanname en geen belofte.
4. Belastingen en transactiekosten ontbreken
De onderzoekers hielden geen rekening met belastingen of transactiekosten. Wat iemand werkelijk kan opnemen, hangt ook af van zulke kosten en van de persoonlijke fiscale context.
5. Historische overleving is geen toekomstige zekerheid
De toekomst kan marktvolgordes of economische omstandigheden bevatten die niet in deze historische steekproef voorkomen. Dat maakt het onderzoek niet waardeloos. Het bepaalt wel hoe voorzichtig we de uitkomsten moeten verwoorden.
Waarom gebruikt Rootree toch 4%?
De 4%-regel heeft één bijzonder bruikbare eigenschap: ze maakt een abstract doel snel tastbaar.
1 ÷ 0,04 = 25
4% initiële opname ≈ 25 × jaarlijkse uitgaven
Wie €24.000 per jaar wil financieren, komt met die eenvoudige verhouding uit bij €600.000.
€24.000 × 25 = €600.000
Dat betekent niet dat €600.000 gegarandeerd voor altijd €24.000 per jaar kan financieren. Het is alleen de portefeuillewaarde die wiskundig overeenkomt met een initiële opname van 4%.
Daarom gebruikt de Rootree Simulator de regel als oriëntatiepunt. Ze helpt je zien hoe je jaarlijkse uitgaven zich verhouden tot een mogelijk doelvermogen, zonder dat ze beweert de toekomst te kennen.
Een kompas, geen natuurwet
De 4%-regel helpt om een abstract idee zoals financiële onafhankelijkheid om te zetten in een concreet getal. Ze is gebouwd op historisch onderzoek en heeft tegelijk betekenisvolle beperkingen.
Een werkelijk financieel plan hoeft bovendien niet dertig jaar onveranderd te blijven. Uitgaven kunnen worden aangepast, inkomsten kunnen veranderen en een plan kan onderweg opnieuw worden bekeken.
Het belangrijkste is niet dat je het getal blind vertrouwt, maar dat je begrijpt welke aanname erachter zit. Een goed financieel plan hoeft de toekomst niet perfect te voorspellen. Het moet je vooral helpen om vandaag beter te begrijpen welke richting je uit wilt.
Wil je eerst begrijpen hoe je rustig en gespreid kunt beginnen met beleggen, dan bundelt De praktische gids de basis in één stap-voor-stapverhaal.
Verder lezen
Simulator
Wat betekent financieel onafhankelijk?
Wanneer ben je financieel onafhankelijk en hoe helpt de 4%-regel om dat te berekenen?
Lees artikelRendement
Welk rendement mag je verwachten?
Een rustige uitleg over de MSCI World, herbelegde dividenden en waarom Rootree met 8% rekent.
Lees artikelGedrag
Waarom beursdalingen normaal zijn
Leer waarom beursdalingen bij beleggen horen en hoe je rustig blijft wanneer je portefeuille daalt.
Lees artikel